WS-00430 D
Reminiscentieactiviteiten opzetten per thema
Hoe zet je een reminiscentieactiviteit op: een thema per sessie, voorwerpen en geuren die herinneringen oproepen, en hoe je het gesprek begeleidt zonder te sturen.
Fiche nagekeken op 937 woorden2 bronnen
- Waar de fiche ligt
- Workshops · 4 fiches
- Wat de fiche aanhaalt
- alzheimer-nederland.nl, kenniscentrummantelzorg.nl
- Inkeping van de lade
- Minder dan 30 dagen · Terug naar de lade

Een reminiscentieactiviteit zet je op met één vast thema per sessie, twee of drie voorwerpen of geuren die bij dat thema horen, en een kleine groep van vier tot zes deelnemers zodat iedereen aan het woord kan komen. Het werkt omdat oude herinneringen vaak langer toegankelijk blijven dan recente: bij alzheimer, de meest voorkomende vorm van dementie, ontstaan vaak eerst problemen met het geheugen (Alzheimer Nederland), terwijl een geur, een voorwerp of een melodie van vroeger nog iets kan oproepen dat een directe vraag niet losmaakt. De begeleider stuurt het gesprek niet, maar houdt het thema vast en laat ruimte voor stiltes.
Wat is reminiscentie en waarom werkt het?
Reminiscentie is het ophalen van herinneringen met behulp van een zintuiglijke prikkel: een geur, een voorwerp, een foto of een stuk muziek. Bij dementie blijft het lange-termijngeheugen vaak langer intact dan het kortetermijngeheugen, waardoor een bewoner zich iets van vijftig jaar geleden kan herinneren terwijl het gesprek van tien minuten eerder al is vervaagd. Een geur van koffie, een stuk zeep of een oud gereedschap kan daardoor meer losmaken dan de vraag "weet u dit nog".
Het verschil met een gewoon gesprek is dat je niet vraagt om een herinnering, je biedt een aanleiding aan. Iemand die niet meer reageert op "vertel eens over uw jeugd", pakt soms wel een oude wasknijper op en begint te vertellen over de wasdag van vroeger.
Hoe kies je een thema voor de sessie?
Kies één thema per sessie en houd het concreet. Een thema als "vroeger" is te breed om iets op te roepen; een thema als "de wasdag", "schoolgaan" of "de bakker" geeft houvast aan zowel de bewoners als de begeleider.
Thema's die vaak werken bij een groep met een gemengde achtergrond:
- Huishouden: de wasdag, boodschappen doen, het fornuis, de melkboer.
- Werk en school: het beroep van vroeger, de schooltas, het schoolplein, de meester of juffrouw.
- Feesten en seizoenen: Sinterklaas, de kermis, de oogst, de eerste schooldag.
- Zintuiglijke thema's: geuren uit de keuken, geluiden van de straat, het weer van vroeger.
Bouw het thema op aan de hand van wat de groep zelf aandraagt. Een opmerking over een geur of een voorwerp tijdens een eerdere sessie is vaak het beste startpunt voor de volgende.
Welk materiaal zet je in?
Materiaal werkt het best als het echt is, niet afgebeeld. Een foto van een strijkbout roept minder op dan de strijkbout zelf in de hand. Verzamel per thema twee of drie voorwerpen die je kunt doorgeven, en één geur als dat kan.
Voorbeelden per thema:
- Wasdag: een wasknijper, een stuk groene zeep, een oud strijkijzer.
- Bakker: de geur van vers gebakken brood of kaneel, een oud blik voor koekjes.
- School: een lei, een kroontjespen, een leesplankje.
- Tuinieren: potgrond om aan te raken en te ruiken, net zoals het aanraken van planten en aarde al een vertrouwde zintuigprikkel geeft in een binnentuinactiviteit.
Leg de voorwerpen op een dienblad dat je kunt laten rondgaan, zodat iedereen de kans krijgt om iets aan te raken voordat het gesprek begint. Laat een voorwerp lang genoeg bij iemand, haast het rondgaan niet.
Hoe begeleid je het gesprek zonder te sturen?
Begin met het voorwerp, niet met de vraag. Laat iemand het voorwerp vasthouden en wacht even voordat je iets zegt. Vraag daarna iets open, zoals "wat doet dit u denken" in plaats van "weet u nog wanneer u dit gebruikte". Een gesloten vraag met een goed of fout antwoord zet mensen onder druk; een open vraag laat ruimte voor elk antwoord.
Herhaal wat iemand zegt in je eigen woorden, zonder het te corrigeren. Klopt een detail niet, dan is dat voor deze activiteit niet van belang. Het gaat om het gevoel en het gesprek, niet om een feitelijk juiste reconstructie.
Laat stiltes bestaan. Iemand die een voorwerp vasthoudt en niets zegt, is niet per se vastgelopen. Geef de tijd die nodig is voordat je verder gaat naar iemand anders in de groep.
Sluit de sessie af met iets herkenbaars, bijvoorbeeld hetzelfde korte liedje of dezelfde zin aan het einde van elke bijeenkomst. Dat geeft een vast kader waarin de groep weet dat de activiteit erop zit.
Welke groepsgrootte en duur werken het best?
Een groep van vier tot zes deelnemers geeft iedereen de kans om een voorwerp vast te houden en iets te zeggen. Bij een grotere groep verdwijnt die kans en wordt het sneller een activiteit waar enkelen aan het woord zijn en de rest toekijkt.
Reken op 30 tot 40 minuten: 10 minuten om het thema en het eerste voorwerp te introduceren, 20 minuten gesprek met de andere voorwerpen, en een korte afsluiting. Langer dan drie kwartier wordt voor veel deelnemers vermoeiend, ook als het gesprek goed loopt.
Zet de stoelen in een kring zonder tafel ertussen, zodat iedereen elkaar kan zien en het voorwerp makkelijk kan doorgeven. Een kleine tafel in het midden is handig om de overige voorwerpen op te leggen tot ze aan de beurt zijn.
Wat levert reminiscentie op voor de groep?
Een reminiscentieactiviteit geeft bewoners die weinig initiatief nemen een eigen aandeel in het gesprek. Het is ook waardevol voor familie en begeleiding: een verhaal dat tijdens de sessie naar boven komt, is vaak bruikbaar voor het zorgdossier en voor een gesprek met naasten, die voor advies en steun als mantelzorger ook terechtkunnen bij een expertisecentrum zoals het Kenniscentrum Mantelzorg.
Begin met één thema en een klein aantal voorwerpen. Bouw een vaste verzameling op per thema, zodat je die later opnieuw kunt inzetten bij een andere groep of een nieuwe bewoner.
Inhoud van de fiche
Notities bij de opname

